Nieuwsarchief Wadlopen 2007 - 2012

NADERE EFFECTEN ANALYSE BESTAAND GEBRUIK WADDENZEE: WADLOPEN DOOR NAAR DE 3e RONDE

woensdag 16 december 2009

LEEUWARDEN - In 2010 of later wordt het nieuwe Beheer- en Ontwikkelingsplan Waddenzee vastgesteld. Daarin wordt geregeld welke vormen van gebruik in de Waddenzee (bv. wadlopen) een vergunning nodig hebben op basis van de nieuwe Natuurbeschermingswet en welke activiteiten niet.

In een voortoets zijn eerder alle activiteiten in de Waddenzee behoordeeld op hun mate van 'duurzaamheid' en mate van 'significante verstoring'. Alle activiteiten waar enige twijfel bestond over voldoende duurzaamheid zijn doorgegaan naar een volgende ronde. Ook het wadlopen behoorde tot deze categorie, zie voortoets.

In deze tweede ronde, de zgn. Nadere Effecten Analyse deel 1 (NEA 1) is gekeken naar in welke mate het wadlopen verstorend is. Beoordeeld is het 'bestaand gebruik', dwz. de situatie van najaar 2005. Gebleken is dat er geen sprake is van significante verstoring van de habitats (leefgebieden) van de Waddenzee.
Er is in de 2e ronde alleen gekeken naar het effect van het wadlopen sec op de Waddenzee. En niet naar mogelijke effecten in samenhang met andere activiteiten (cumulatie van effecten). Dit komt in de 3e ronde aan de orde, de Nadere Effecten Analyse deel 2. Naar verwachting wordt de 3e ronde medio 2010 afgerond.
Al dit monnikenwerk (tientallen activiteiten moeten worden beoordeeld) wordt uitgevoerd door Rijkswaterstaat in samenwerking met Arcadis. Vanuit de diverse gebruikersorganisaties in de Waddenzee, gemeentes, provincies, LNV, Defensie en natuurbeschermingsorganisaties wordt dit werk door vele vertegenwoordigers kritisch gevolgd.

De Effectbepaling en Effectbeoordeling van het wadlopen staan onderaan dit bericht. De tekst van NEA1 is te vinden op www.waddenzee.nl, zie link.
Zie p. 101 - 105 over het wadlopen.

Mocht uit de nadere analyse in de 3e ronde naar voren komen dat wadlopen vergunningplichtig moet worden op basis van de NB-wet, dan kan dat tot beperkingen leiden. Vanuit de wadlooporganisaties volgt een commissie van deskundigen de ontwikkelingen.

In NEA 1 is gekeken is naar het bestaande gebruik van najaar 2005. Dwz. naar het effect van het aantal wadlooporganisaties en individuele wadloopgidsen met de activiteiten van toen. Mogelijk zullen eventuele nieuwe wadlooporganisaties en nieuwe wadloopgidsen wel een vergunning moeten aanvragen op basis van de Natuurbeschermingswet.

Lammert Kwant


WADLOPEN IN NEA 1

4. Effectbepaling
Effecten op habitattype H1140 (Droogvallende platen) is beperkt. Er vindt betreding plaats waardoor bodemdieren gedood worden, maar dit is over een beperkte oppervlakte en grotere mosselbanken worden zo veel mogelijk gemeden. Voor de habitats Atlantische schorren (hoge kwelder, H1330), Schorren met slijkgras (H1320) en Zilte pionierbegroeiingen (H1310) geldt min of meer hetzelfde. Er vindt betreding plaats, maar veelal over vaste routes met een beperkte oppervlakte betreding. Het effect van wadlopen op Atlantische schorren is zeer gering. De reden is dat de betrede oppervlakte zeer gering is. Men loopt over gronddammen en niet kris kras over het wad. De betreding door wadlopers ten opzichte van de betreding door het vee op de kwelders is veel kleiner. Ook op H1320 is het effect van wadlopen gering, maar wel groter dan bij H1330. Spoorvorming en erosie treedt op door de slappe grond. Het betrede oppervlak is echter minimaal. De nasleep van effecten op betrede stukken kan in de orde van weken zijn. Kwaliteitskenmerken als schelpenbanken en zeegrasvelden worden in principe niet betreden (hoogst incidenteel worden schelpenbanken betreden).

Doordat de Wadtochten tijdens laag water worden gehouden worden vogels die op de wadplaten foerageren (vooral steltlopers) verstoord. Ook eenden die langs de kust rusten of langs de plaatranden foerageren, worden verstoord. De verstoring van foeragerende of rustende vogels op kwelders of wadplaten zal per keer enkele minuten bedragen, waarbij na enige tijd na passage van de wadlopers de oude situatie weer terugkeert. Hierbij is de frequentie van de passerende wadlopers van groter belang dan de groepsgrootte: bij een hogere frequentie zijn potentiƫle foerageerlocaties vaker en langer verstoord en daarmee een groot deel van de tijd minder geschikt.

Er is dus tijdelijk sprake van verminderde voedselinname of rust, maar doordat er vooral vaste wadlooproutes en excursielocaties worden aangehouden zal dit geen merkbare gevolgen hebben voor de fitness van de vogels. Tijdens het broedseizoen kunnen op de kwelders broedende vogels verstoord worden. Echter, dit is ook minimaal door de vaste 'doorsteekroutes' op de kwelders en de voorschriften uit het Convenant Wadlopen.

5. Effectbeoordeling
Het toch al dynamische karakter van de Waddenzee maakt dat effecten op habitattype H1140A door betreding verwaarloosbaar zijn en geen uitwerking zullen hebben op het verbeterdoel van de kwaliteitskenmerken van het habitattype: geen significant effect op het instandhoudingsdoel. De kwelders en pionierzone zijn minder dynamisch, de betreding kan hier langdurig sporen achterlaten. Gezien de relatief beperkte omvang (enkele sporen van circa 10 m breed tegenover tientallen kilometers kwelder langs de noordkust van Friesland en Groningen) is het effect op deze habitttypen verwaarloosbaar. Er is geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen.

Wadlopen kan zorgen voor een kleine verstoring van broedende (incidenteel) of foeragerende vogels. Er worden geen effecten voorzien op de populatiefitness, aangezien de verstoring beperkt is in ruimte en impact op het individu en de oude situatie zich snel herstelt. Kleine zwaan en zwarte stern gebruiken het Waddengebied uitsluitend als slaapplaats, zodat effecten op deze soorten verwaarloosbaar zijn en er geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen is. Voor eidereend, scholekster, kluut, kanoet en steenloper geldt een verbeterdoel voor wat betreft de kwaliteit van het leefgebied. Aangezien er geen nadelig effect is op de voedselbeschikbaarheid van eidereend, scholekster, kanoet en steenloper, is er geen sprake van een significante negatief effect ten aanzien van de instandhoudingsdoelen. Doordat er slechts enkele (vaste) routes door de kwelders zijn, zijn effecten op broedlocaties van eidereend en kluut klein. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen zijn niet aan de orde.

6. Mogelijke mitigerende maatregelen
Het kan overwogen worden middels een bepaling in het beheerplan (overnemen voorschriften uit het Convenant Wadlopen) af te dwingen dat afstand wordt gehouden tot grote groepen rustende of foeragerende vogels dan wel zeehonden. Dit vanzelfsprekend voor zover de veiligheid van de wadlopers dit toelaat.
Verder kan worden overwogen het aantal deelnemers ongeveer te handhaven op het huidig aantal en de ruimte in het Convenant. Wadlopen (2008-2013) in de toekomst niet of niet volledig te gebruiken.
Er kan ook worden vastgelegd dat er een maximaal aantal aanlandingspunten wordt gehanteerd, waarbij ook de locaties (globaal) worden aangegeven.