[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Overheid

Broodkruimelpad

Home Wadloopverordening 1996   4. Toelichting bij art. 1 t/m 18

Wadloopverordening 1996

  4. Toelichting bij art. 1 t/m 18

Terug naar inhoudsopgave

 
Toelichting bij art. 1

De wadloopverordening is voorbereid in het kader van de Stuurgroep Waddenprovincies en is gelijkluidend voor de provincies Groningen, Friesland en Noord-Holland.
Omdat iedere provincie vanzelfsprekend uitsluitend over het eigen grondgebied iets te zeggen heeft, dient in artikel 1 lid 1 aangegeven te worden welke provincie de verordening betreft.

De verordening heeft betrekking op het gebied dat valt onder de werkingssfeer van de Planologische Kernbeslissing voor de Waddenzee.

Niet alleen het begrip 'platen' moet worden gedefiniëerd, maar ook het begrip 'kwelders'. Een deel van de activiteiten betreft namelijk de zgn. zwerftochten over de kwelders, die onder de werking van de verordening moeten kunnen vallen. In de omschrijving van de begrippen platen en kwelders zit overigens ook een beperking van de werkingssfeer van de verordening. Het gaat bij platen en kwelders om gebieden die bij gemiddeld laag water geheel of grotendeels droogvallen. Gebieden binnen het PKB-gebied die slechts bij zeer uitzonderlijke omstandigheden nog onder water lopen, vallen niet onder deze omschrijving. Voorbeelden zijn de zomerpolders en enkele hooggelegen kwelders. Zo kan bijvoorbeeld een excursie van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten op de Oosterkwelder van Schiermonnikoog (= PKB-gebied) niet als een wadlooptocht in de zin van de verordening worden beschouwd, ook niet als het om een wat grotere groep gaat.

Om misverstanden over de werkingssfeer van de verordening te voorkomen wordt in de definitie van 'wadlooptocht' expliciet vermeld dat het gaat om het 'te voet' betreden van het gebied.

Ook vanaf de eilanden worden wadlooptochten gehouden, die in beginsel onder de werking van de verordening vallen. Overigens is het uitdrukkelijk niet de bedoeling om door middel van de wadloopverordening kleinschalige recreatieve activiteiten te beperken. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 5 aanhef en sub f en bij artikel 6.

Terug naar wadloopverordening art. 1


 
Toelichting bij art. 2

Toepassing van de verordening geschiedt in de eerste plaats in het belang van de veiligheid van de wadlopers.
Als afgeleid motief is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen de belangen van natuur en landschap in de afweging te kunnen betrekken. Bedoelde natuur- en landschapsbelangen worden aangeduid als afgeleid motief om duidelijk aan te geven dat eerste motief van de verordening het veiligheidsaspect is. Alleen indien uit oogpunt van veiligheid voorwaarden worden gesteld, kunnen daarbij tevens voorwaarden uit oogpunt van natuur- en landschapsbelangen worden opgenomen. Deze benadering is gekozen om daar waar mogelijk te komen tot één instrument dat het wadlopen als geheel kan reguleren, vanuit de verschillende belangen, zowel die van veiligheid als die van natuur.
De Natuurbeschermingswet blijft het algemeen geldende wettelijke kader voor regulering van verstorende activiteiten in natuurmonumenten. De wet biedt daarnaast echter de ruimte om aanvullende regelingen te geven in provinciale of gemeentelijke verordeningen voor specifieke activiteiten (met als motief natuurbescherming), zeker als die regeling, zoals de wadloopverordening, primair andere motieven heeft, in casu veiligheid.
Overwogen is om aan het toetsingscriterium van natuur- en landschapsbelangen, zoals aangegeven in het tweede lid, nog toe te voegen als criterium de natuurbeleving. Het is duidelijk dat bij te grote aantallen deelnemers de belevingswaarde in het geding komt. Hoewel deze belevingswaarde nauw verbonden is met natuur- en landschapsbelangen zou overwogen kunnen worden via een aparte vermelding het criterium natuurbeleving extra te benadrukken.
Geconstateerd kan worden dat vanuit de bij het wadlopen betrokken organisaties het belang van de belevingswaarde steeds meer aandacht krijgt. Op basis hiervan heeft het aspect belevingswaarde nader inhoud gekregen in de zonerings- en quoteringsafspraken tussen de wadlooporganisaties. Vanwege het maatschappelijk draagvlak wordt aan deze vorm van zelfregulering van de wadloopsector grote waarde toegekend.

Terug naar wadloopverordening art. 2


 
Toelichting bij art. 3

Dit is een zogenaamd 'kapstokartikel'. Het gaat daarbij om een bepaling van algemene strekking, die de geest van de regeling weergeeft (vergelijk artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens jo art. 25 van de Wegenverkeerswet). Dit 'zorgvuldigheidsprincipe' is in de verordening neergelegd, dit om zowel individuele deelnemers aan wadlooptochten als wadloopgidsen aan te kunnen spreken op veiligheidsaspekten. In de geldende praktijk is ook in de voorwaarden bij de vergunningverlening opgenomen dat deelnemers aan wadlooptochten op de risico's daarvan worden gewezen (bijvoorbeeld conditie, kleding, enz.).

Terug naar wadloopverordening art. 3


 
Toelichting bij art. 4

Dit artikel biedt samen met art. 5 de juridische basis voor het vergunningen-stelsel, waarmee het wadlopen kan worden gereguleerd.

Terug naar wadloopverordening art. 4


Toelichting bij art. 5
 
1. Artikel 5 aanhef en sub a t/m d

Het artikel regelt de uitzonderingen op het verbod zoals is neergelegd in artikel 4 en geeft aan, dat met een door gedeputeerde staten afgegeven vergunning wel wadlooptochten mogen worden gehouden, uiteraard met inachtneming van de door gedeputeerde staten aan de vergunning verbonden voorschriften.
Er zijn drie categorieën wadloop-vergunningen. A-vergunningen voor wadlooporganisaties met daarbij behorende machtigingen voor wadloopgidsen, B-vergunningen voor kleine groepen wadlopers en C-vergunningen voor individuele wadlopers.

Terug naar wadloopverordening art. 5a
 
2. Toelichting bij artikel 5 sub e

Bedoeld worden bijvoorbeeld ambtenaren die zich voor de hen opgedragen werkzaamheden op het wad bevinden, maar ook zij die zich op de Waddenzee bevinden voor activiteiten die voortvloeien uit een bedrijf of beroep waarvoor op grond van enige wettelijke bepaling een vergunning c.q. ontheffing nodig is, of voor activiteiten waarvoor nadrukkelijk toestemming bestaat, indien zij zich t.b.v. die activiteiten te voet op de platen en/of kwelders moeten begeven of bevinden. Ook kan men denken aan hen die op grond van hen toegestane werkzaamheden op grond van eigendomsverhoudingen (boeren in de landaanwinningswerken), zich op het wad bevinden.

Terug naar wadloopverordening art. 5e
 
3. Toelichting bij artikel 5 sub f

Deze bepaling is opgenomen om het betreden van en het zich bevinden op het wad vanaf drooggevallen boten te reguleren. De doelgroep van de bepaling van artikel 5 aanhef en sub e is in de praktijk vooral de chartervaart (incl. rondvaarttochten). Met deze bepaling willen wij de mogelijkheid open houden voor opvarenden van een drooggevallen boot om die boot af te gaan om 'even de tenen in het zand te steken'. De huidige praktijk bij bijvoorbeeld een deel van de charterschepen, die groepen tot zo'n 25 personen vervoeren, is dat op die manier aan een stukje natuur- en milieu-educatie wordt gedaan. De wadloopverordening mag dit niet onmogelijk maken, door iedere betreding van het wad vergunningplichtig te maken.
Aan deze uitzonderingsbepaling worden twee voorwaarden verbonden. Groepen van acht of meer personen mogen zich alleen in de directe omgeving van de boot ophouden, d.w.z. dat men binnen een straal van maximaal 500 meter van de boot blijft. Individuen of groepjes kleiner dan acht personen worden niet aan een bepaalde afstandsmaat gehouden. Wel worden zij geacht de plaat waarop de boot zich bevindt niet te verlaten en terug te keren aan boord van de boot.
Tochten waarbij geulen worden overgestoken en waarbij van plaat naar plaat wordt gegaan worden beschouwd als echte wadlooptochten en vallen niet onder deze uitzonderingsbepaling. Hiervoor is dus een vergunning vereist.

Terug naar wadloopverordening art. 5f
 
4. Toelichting bij artikel 5 sub g

Zoals ook bij de toelichting bij artikel 1 is gesteld, is het nadrukkelijk niet de bedoeling om de mogelijkheden van kustbewoners en eilanders in te perken om in de strook direct onder de kust een 'slag over het wad' te maken. De formulering van artikel 5 sub f heeft de bedoeling om een juridische basis te bieden voor hetgeen in de geest van de verordening is: het groepsgewijs lopen van tochten reguleren en overige kleinschalige activiteiten die men op het wad pleegt te ondernemen niet in de weg staan. Bij deze kleinschalige activiteiten kan gedacht worden aan een gebruiksvorm van het wad als het handmatig steken van pieren, het beoefenen van de zeehengelsport, het zwemmen bij de dijk. Deze activiteiten die vaak van oudsher al plaatsvinden, worden niet beperkt. Wel is het uiteraard nodig een scheidslijn aan te brengen tussen het betreden van het wad voor kleinschalige lokale activiteiten en voor het betreden teneinde een vergunningplichtige wadlooptocht te gaan doen. Daarom is in de verordening opgenomen dat bij het betreden van het wad voor kleinschalige recreatieve activiteiten het moet gaan om een groep van minder dan acht personen en voor een activiteit met een strikt lokaal karakter.

Terug naar wadloopverordening art. 5g


 
Toelichting bij art. 6

Zoals ook aangegeven bij de toelichting art. 1 worden excursies vanaf de eilanden met een natuureducatieve doelstelling wel als wadlooptochten beschouwd. Wanneer deze excursies echter beperkt blijven tot specifiek hiervoor aangewezen gebieden en er geen geulen worden gepasseerd zijn er vanuit veiligheidsoverwegingen minder strenge eisen noodzakelijk dan voor oversteken en zwerftochten. Voor het organiseren van dergelijke excursies kan GS daarom ontheffing verlenen, waarbij in de ontheffing wel een aantal voorwaarden worden opgenomen met betrekking tot de veiligheid en de bescherming van natuurwaaarden.

Terug naar wadloopverordening art. 6


 
Toelichting bij art. 7

Waar het gaat om lid 2, aanhef en sub a, wijzen wij er op dat er wadlooporganisaties (kunnen) zijn die geen vereniging of stichting zijn qua rechtsvorm, maar bijvoorbeeld een eenmansbedrijf. Zij beschikken dus niet over statuten. In zo'n geval moeten uittreksels uit het Handelsregister, of een ondernemingsplan kunnen volstaan.
De vergunningverlening vindt plaats per seizoen. In het voorjaar zal de wadloopadviescommissie gevraagd worden om haar advies over de aanvragen uit te brengen. Voor een goede stroomlijning en coördinatie van de vergunningverlening wordt daarom een termijn gesteld waarvoor de aanvraag ingediend moet zijn.

Terug naar wadloopverordening art. 7


 
Toelichting bij art. 8

In verband met het bepaalde in artikel 2 lid 2 van de verordening is dit lid aangevuld met de regeling dat de leden van de commissie tevens moeten komen uit de kring van personen die geacht kunnen worden deskundig te zijn op het gebied van de bescherming van landschappelijke, natuurwetenschappelijke waarden. Hierbij gaan we er van uit dat verschillende deskundigheden soms in één persoon verenigd kunnen zijn zodat de meerderheid van de commissie specifieke wadloopdeskundigheid heeft.
Wij streven naar een zodanige samenstelling van de commissie dat er geen sprake is van vertegenwoordiging per (wadloop)organisatie, maar veel meer van een geografische spreiding c.q. actuele, praktische deskundigheid per deel van het waddengebied.
Tot de werkzaamheden van de commissie behoort onder meer het uitbrengen van advies omtrent de vergunningaanvraag en vergunningvoorschriften. Terwijl de commissie daarnaast ook een taak krijgt in de toetsing van de kwaliteit van de interne opleidingen van de A-organisaties en de bevoegdheid krijgt om een aanvrager van een vergunning een praktijktoets af te nemen.

Terug naar wadloopverordening art. 8


 
Toelichting bij art. 9 en 10

Zowel de te machtigen personen als de B-vergunninghouders worden geacht in staat te zijn een groep onervaren deelnemers over het wad te gidsen. De B-vergunninghouders doen dit soms individueel, de gemachtigden zijn altijd met twee of meer gidsen tegelijk. Bij elke tocht dient echter minimaal een gids aanwezig te zijn die de kennis en ervaring heeft om een groep individueel over het wad te leiden.
De gewenste kennis en ervaring is op te doen in een interne opleiding bij een van de A-organisaties. G.S. zal de kwaliteit van de opleidingen laten toetsen door de wadloopadviescommissie.
Bij twijfel kan gedeputeerde staten de wadloopadviescommissie vragen een praktijktoets te organiseren.

De wadlooptochten worden gehouden binnen een gebied dat is aangewezen als staatsnatuurmonument. De vergunninghouder en gemachtigden dienen daarom een aantal randvoorwaarden ter bescherming van de natuurwaarden in acht te nemen. Daarbij betreft het zowel het naleven van de gemaakte quoterings- en zoneringsafspraken als het er op toezien dat de deelnemers aan de wadlooptocht de gedragsregels ter bescherming van de natuurwaarden in acht nemen.

Terug naar wadloopverordening 9 en 10


 
Toelichting bij art. 11

Een van de problemen die zich rond het wadlopen voordoen, is het ongeoorloofde combineren van verschillende vergunningen; hierdoor is het mogelijk dat veel grotere of veel meer groepen tegelijkertijd zich op het Wad bevinden dan volgens de afzonderlijke vergunningvoorschriften is toegestaan. Door dit artikel wordt in de verordening zèlf de koppeling van B-vergunningen aan A-machtigingen en aan andere B-vergunningen onmogelijk gemaakt.


Terug naar wadloopverordening art. 11


 
Toelichting bij art. 13

Het eerste lid geeft een juridische basis voor bijvoorbeeld een quotering of zoneringsregeling, in de zin van aantallen deelnemers aan wadlooptochten en gebiedsafspraken. Ook kan gedacht worden aan uiterste vertrek- en passeertijden van geulen.

In het algemeen behoeven in de wadloopverordening de vergunningvoorwaarden als zodanig niet te worden opgenomen. Voor één onderwerp wordt een uitzondering gemaakt: de uiterste vertrektijden. Vanuit veiligheidsoverwegingen moet in de vergunningvoorwaarden worden geregeld dat wadlooptochten gekoppeld worden aan het tij, dus geconcentreerd rond laagwater, omdat, waar er in het verleden zaken zijn misgegaan, dat feit o.a. met te laat vertrek had te maken. Ook vanuit natuurbeschermingsoverwegingen is het van belang dat tochten rond hoogwater zoveel mogelijk aan banden worden gelegd.

Om deze reden is in het tweede lid van artikel 13 opgenomen dat wadlooptochten niet eerder dan 3.5 uur voor lokaal laagwater en volgens plan niet later zullen worden beëindigd dan twee uur na lokaal laagwater, tenzij lokale omstandigheden zich tegen deze uiterste vertrek- en aankomsttijden verzetten. Voorbeelden van dit laatste zijn wadlooptochten van bijvoorbeeld Texel naar Vlieland, van Vlieland naar de Richel, en tochten van en naar Terschelling, waar het moment van vertrek (vanuit veiligheidsoverwegingen) iets eerder moet liggen.

Terug naar wadloopverordening art. 13


 
Toelichting bij art. 18

Met de vaststelling van de verordening 1996 zijn een aantal eisen en criteria veranderd ten opzichte van de Wadloopverordening 1983. In dit artikel wordt een overgangsregeling aangegeven voor diegenen die reeds beschikken over een vergunning op basis van de Wadloopverordening 1983, zij worden geacht aan de criteria van de Wadloopverordening 1996 te voldoen.


Bladeren door de verordening