[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Overheid

Broodkruimelpad

Home 5. Overheid   2. Toelichting n.a.v. wijziging van de verordening 2010

Wadloopverordening 1996

  2. Toelichting n.a.v. wijziging van de verordening 2010

Terug naar inhoudsopgave

Toelichting
A. Algemeen deel

Dienstenwet
Op 28 december 2009 is de Dienstenwet in werking getreden. De Dienstenwet is de (verplichte) nationaalrechtelijke vertaling van de Europese Dienstenrichtlijn (hierna: de Richtlijn). Het doel van de Richtlijn is het verbeteren van de Europese interne dienstenmarkt, door belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten en de vrije vestiging van dienstverrichters weg te nemen. De vrijheid van vestiging houdt onder andere in dat ondernemers, bedrijven en personen die een zelfstandig beroep uitoefenen, niet mogen worden beperkt in het zich vestigen in een andere lidstaat. Het vrij verkeer van diensten houdt in dat een onderneming of zelfstandige beroepsbeoefenaar zich zonder belemmeringen naar een andere lidstaat kan begeven om daar tijdelijk een dienst te verrichten. Omgekeerd kan een afnemer, op grond van het vrij verkeer van diensten, zich ook naar een andere lidstaat begeven om een dienst af te nemen.

De Dienstenwet is alleen van toepassing op die diensten die om een economische tegenprestatie worden verricht. Uitgangspunt van de Dienstenrichtlijn is dat:

  1. een toestemming in beginsel geen beperkte geldingsduur heeft;
  2. indien in een verordening geen beslistermijn is opgenomen, op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst wordt beslist. Deze termijn mag eenmaal worden verlengd met een redelijke termijn en
  3. een toestemming geacht wordt te zijn verleend indien er binnen de beslistermijn geen beslissing op de aanvraag is genomen. Dit is de zgn. "Lex Silencio Positivo" ofwel "wie zwijgt, stemt toe".

Van de punten I. en III. mag worden afgeweken als er dwingende redenen zijn van algemeen belang. Het begrip "dwingende redenen van algemeen belang" is een "open norm" die door het Europese Hof van Justitie is en wordt ontwikkeld. Het Hof heeft inmiddels tal van "dwingende redenen" erkend. We noemen hier als voorbeelden: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid, bescherming van het milieu en verkeersveiligheid.

De Dienstenwet heeft tot gevolg dat o.a. de Wadloopverordening moet worden gewijzigd. Hieronder zullen we achtereenvolgens ingaan op de geldigheidsduur, de beslistermijn en de Lex Silencio Positivo.

a. Geldigheidsduur
Zowel de ontheffing als de vergunning wordt verleend voor de duur van drie jaren. Aanvankelijk was de geldigheidsduur gesteld op één jaar, maar juist beperking van de administratieve lasten hebben Provinciale Staten in 2002 besloten de geldigheidsduur te verlengen naar drie jaren. Nu de Dienstenwet als uitgangspunt hanteert dat de toestemming voor onbepaalde tijd wordt verleend, moet worden onderzocht of een van de uitzonderingsgronden van de Dienstenwet van toepassing is, die de beperking van de geldigheidsduur rechtvaardigt. Die vraag wordt hier bevestigend beantwoord. De hier bedoelde toestemmingen zijn bij uitstek in het leven geroepen uit het oogpunt van de noodzakelijk geachte veiligheid van personen. Niet voor niets hebben Provinciale Staten het college opgedragen om aan elke toestemming voorschriften te verbinden met het oog op de veiligheid. Een periodieke toets van deze toestemming, in de zin van een beoordeling van een nieuwe aanvraag voor opnieuw een periode van drie jaren, wordt uit het oogpunt van het belang dat de Wadloopverordening beoogt te beschermen aanvaardbaar geacht. Het is het moment om te bezien of de aan de toestemming verbonden voorschriften nog steeds voldoende actueel zijn en voldoende toegesneden op de veiligheid van deelnemers. Naar onze mening is het belang van de volksgezondheid, in termen van openbare veiligheid en gezondheid van personen, in dit geval een dwingende reden van openbaar belang om toe te staan dat de duur van de toestemming is beperkt.

b. Beslistermijn
Wadloopverordening
De vigerende Wadloopverordening kent geen beslistermijnen. De Dienstenwet hanteert bij het ontbreken van een wettelijke beslistermijn een beslistermijn van 8 weken, met de mogelijkheid om die éénmaal te verlengen. In het geval van een ontheffing is het in beginsel mogelijk om binnen 8 weken te beslissen. Bij meer ingewikkelde aanvragen moet het evenwel mogelijk zijn om die termijn te verlengen. Met deze verordening wordt de beslistermijn voor de ontheffing op 8 weken gesteld, met de mogelijkheid die termijn éénmaal met ten hoogste zes weken te verlengen. De vergunningverlening kent een zwaardere procedure, waarbij aanvragen aan een adviescommissie worden voorgelegd, waarbij van de aanvrager ook kan worden gevraagd een examen af te leggen. Een tijdsbestek van 8 weken is in de regel dan te kort om een zorgvuldige beslissing op de aanvraag te kunnen nemen. Voor de vergunning wordt daarom een beslistermijn van 13 weken gehanteerd, met de mogelijkheid die termijn éénmaal met ten hoogste 6 weken te verlengen.

c. Lex Silencio Positivo
Met de Lex Silencio Positivo (hierna: LSP) wordt gedoeld op de rechtsfiguur die inhoudt dat de vergunning of ontheffing wordt geacht te zijn verleend indien niet tijdig, dat wil zeggen niet binnen de wettelijke beslistermijn, op de aanvraag is beslist. In gewoon Nederlands: wie zwijgt, stemt toe. De Europese Dienstenrichtlijn neemt voor toestemmingen die de toegang tot of de uitoefening van een dienst reguleren en die onder het bereik van de Dienstenrichtlijn vallen, de LSP als uitgangspunt. Zoals gezegd zijn op deze verplichting uitzonderingen mogelijk, als er sprake is van dwingende redenen van openbaar belang.

In artikel 65 van de Dienstenwet is bepaald dat de LSP, zoals geformuleerd in artikel 28 van de Dienstenwet, tot 1 januari 2012 niet van toepassing is op krachtens de Provinciewet verleende toestemmingen. De Wadloopverordening, de Wegenverordening en de Vaarwegen-verordening zijn vastgesteld op basis van de in de Provinciewet opgenomen verordende bevoegdheid van Provinciale Staten, zodat toestemmingen die worden verleend op grond van deze verordeningen vooralsnog buiten het bereik van de LSP vallen. Voor 1 januari 2012 moeten Provinciale Staten daarover een beslissing nemen.

Met deze verordening wordt toepassing van de LSP voor de Wadloopverordening uitgesloten. Het toestemmingsstelsel beoogt primair de veiligheid van personen die wadlopen te beschermen. De hier bedoelde toestemmingen zijn een adequaat gedragsregulerend instrument, primair gericht op de veiligheid van deelnemers. In de totstandkomingsgeschiedenis van de verordening komt dat ook nadrukkelijk tot uiting en voormelde verplichting om voorschriften met betrekking tot de veiligheid van deelnemers aan de toestemming te verbinden benadrukt dit. De eventuele maatschappelijke schade door niet tijdige besluitvorming weegt naar onze mening minder zwaar dan het maatschappelijk risico van verlening door middel van de LSP. De veiligheid van personen op het Wad zou daarmee in het geding kunnen komen. Naar onze mening is het belang van de volksgezondheid, in termen van openbare veiligheid en gezondheid van personen, in dit geval een dwingende reden van openbaar belang om toepassing van de LSP niet in te voeren.

B. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I Wijziging van de Wadloopverordening

A.
De wijziging van natuurwetenschappelijke waarden in natuurwaarden is een tekstuele wijziging.

B.
Artikel 4 bevatte ten onrechte een verwijzing naar artikel 7. Dat is gecorrigeerd.

C.
In artikel 5 ontbrak een verwijzing naar de ontheffing. Dat is gecorrigeerd. Tevens is het woord "boot" vervangen door "vaartuig", dat beter aansluit bij het spraakgebruik.

D.
Een aanvraag voor een ontheffing moest worden aangevraagd voor 1 januari. Na deze datum werd op de aanvragen beslist. Om het proces van indiening te stroomlijnen is een indieningstermijn opgenomen, die overigens aansluit bij de gangbare praktijk.

De verordening kende niet een beslistermijn. Er werd besloten met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4:13 en 4:14 Awb. Dat wil zeggen in beginsel beslissen binnen acht weken, met de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen. In de verordening wordt nu uitdrukkelijk een beslistermijn opgenomen. Gedeputeerde Staten beslissen binnen acht weken na het sluiten van de indieningsperiode. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd.

Door paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing te verkla-ren, wordt bereikt dat de Lex Silencio Positivo niet van toepassing is op aanvragen voor een ontheffing. De ontheffing wordt verleend voor de duur van drie jaren.

Door een koppeling met de artikelen 14 en 15 kan ook de ontheffing, op dezelfde gronden als de vergunning, worden geschorst of ingetrokken.

E.
Om het proces van indiening te stroomlijnen is een indieningstermijn opgenomen, die overigens aansluit bij de gangbare praktijk.

Net als bij de ontheffing kende de Wadloopverordening geen beslistermijn voor het aanvragen van een vergunning. Er werd besloten met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4:13 en 4:14 Awb. Dat wil zeggen in beginsel beslissen binnen acht weken, met de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen. In de verordening wordt nu uitdrukkelijk een beslistermijn opgenomen. Gedeputeerde Staten beslissen binnen dertien weken na het sluiten van de indieningsperiode. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd.

Door paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing te verklaren, wordt bereikt dat de Lex Silencio Positivo niet van toepassing is op aanvragen voor een ontheffing.

F.
Tekstuele wijziging

G.
In artikel 10 werd ten onrechte verwezen naar artikel 5, sub b. Dit moet zijn een verwijzing naar sub a.

H.
In het vierde lid was opgenomen dat de vergunninghouder, die zich niet aan een aan de vergunning verbonden voorschrift houdt, geacht wordt geacht zonder vergunning te handelen. Nu de artikelen 14 en 15 regelen dat een vergunning kan worden ingetrokken of geschorst, indien de vergunninghouder zich niet houdt aan de aan de vergunning verbonden voorschriften, is deze bepaling niet noodzakelijk.

I.
Op grond van artikel 16 moeten houders van een vergunning of machtiging deze bescheiden en overige in de vergunningvoorschriften bedoelde bescheiden op eerste vordering opsporingsambtenaren behoorlijk ter inzage afgeven. Ten onrechte was hier niet de ontheffing genoemd en dat wordt met deze wijziging hersteld. Tevens werd bepaald dat degene die de gevraagde bescheiden niet kon tonen geacht werd niet over deze bescheiden te beschikken. Deze fictie vanuit juridisch perspectief niet wenselijk en niet nodig. Het niet kunnen tonen van de bescheiden levert een afzonderlijk strafbaar feit op.

J.
In de strafbepaling ontbrak een verwijzing naar artikel 16, waarin een strafbare gedraging is geformuleerd. Dat wordt met deze wijziging hersteld.

K.
Tekstuele wijziging.

Naar tekst wadloopverordening


Bladeren door de verordening