[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Overheid

Broodkruimelpad

Home 5. Overheid   4. Toelichting bij art. 1 en art. 2

Wadloopverordening 1996

  4. Toelichting bij art. 1 en art. 2

Terug naar inhoudsopgave

 
Toelichting bij art. 1

De wadloopverordening is voorbereid in het kader van de Stuurgroep Waddenprovincies en is gelijkluidend voor de provincies Groningen, Friesland en Noord-Holland.
Omdat iedere provincie vanzelfsprekend uitsluitend over het eigen grondgebied iets te zeggen heeft, dient in artikel 1 lid 1 aangegeven te worden welke provincie de verordening betreft.

De verordening heeft betrekking op het gebied dat valt onder de werkingssfeer van de Planologische Kernbeslissing voor de Waddenzee.

Niet alleen het begrip 'platen' moet worden gedefiniëerd, maar ook het begrip 'kwelders'. Een deel van de activiteiten betreft namelijk de zgn. zwerftochten over de kwelders, die onder de werking van de verordening moeten kunnen vallen. In de omschrijving van de begrippen platen en kwelders zit overigens ook een beperking van de werkingssfeer van de verordening. Het gaat bij platen en kwelders om gebieden die bij gemiddeld laag water geheel of grotendeels droogvallen. Gebieden binnen het PKB-gebied die slechts bij zeer uitzonderlijke omstandigheden nog onder water lopen, vallen niet onder deze omschrijving. Voorbeelden zijn de zomerpolders en enkele hooggelegen kwelders. Zo kan bijvoorbeeld een excursie van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten op de Oosterkwelder van Schiermonnikoog (= PKB-gebied) niet als een wadlooptocht in de zin van de verordening worden beschouwd, ook niet als het om een wat grotere groep gaat.

Om misverstanden over de werkingssfeer van de verordening te voorkomen wordt in de definitie van 'wadlooptocht' expliciet vermeld dat het gaat om het 'te voet' betreden van het gebied.

Ook vanaf de eilanden worden wadlooptochten gehouden, die in beginsel onder de werking van de verordening vallen. Overigens is het uitdrukkelijk niet de bedoeling om door middel van de wadloopverordening kleinschalige recreatieve activiteiten te beperken. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 5 aanhef en sub f en bij artikel 6.

Terug naar wadloopverordening art. 1


 
Toelichting bij art. 2

Toepassing van de verordening geschiedt in de eerste plaats in het belang van de veiligheid van de wadlopers.
Als afgeleid motief is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen de belangen van natuur en landschap in de afweging te kunnen betrekken. Bedoelde natuur- en landschapsbelangen worden aangeduid als afgeleid motief om duidelijk aan te geven dat eerste motief van de verordening het veiligheidsaspect is. Alleen indien uit oogpunt van veiligheid voorwaarden worden gesteld, kunnen daarbij tevens voorwaarden uit oogpunt van natuur- en landschapsbelangen worden opgenomen. Deze benadering is gekozen om daar waar mogelijk te komen tot één instrument dat het wadlopen als geheel kan reguleren, vanuit de verschillende belangen, zowel die van veiligheid als die van natuur.
De Natuurbeschermingswet blijft het algemeen geldende wettelijke kader voor regulering van verstorende activiteiten in natuurmonumenten. De wet biedt daarnaast echter de ruimte om aanvullende regelingen te geven in provinciale of gemeentelijke verordeningen voor specifieke activiteiten (met als motief natuurbescherming), zeker als die regeling, zoals de wadloopverordening, primair andere motieven heeft, in casu veiligheid.
Overwogen is om aan het toetsingscriterium van natuur- en landschapsbelangen, zoals aangegeven in het tweede lid, nog toe te voegen als criterium de natuurbeleving. Het is duidelijk dat bij te grote aantallen deelnemers de belevingswaarde in het geding komt. Hoewel deze belevingswaarde nauw verbonden is met natuur- en landschapsbelangen zou overwogen kunnen worden via een aparte vermelding het criterium natuurbeleving extra te benadrukken.
Geconstateerd kan worden dat vanuit de bij het wadlopen betrokken organisaties het belang van de belevingswaarde steeds meer aandacht krijgt. Op basis hiervan heeft het aspect belevingswaarde nader inhoud gekregen in de zonerings- en quoteringsafspraken tussen de wadlooporganisaties. Vanwege het maatschappelijk draagvlak wordt aan deze vorm van zelfregulering van de wadloopsector grote waarde toegekend.

Terug naar wadloopverordening art. 2


Bladeren door de verordening