[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Overheid

Broodkruimelpad

Home 5. Overheid   5. Toelichting bij art. 3, art. 4 en art. 5

Wadloopverordening 1996

  5. Toelichting bij art. 3, art. 4 en art. 5

Terug naar inhoudsopgave

 
Toelichting bij art. 3

Dit is een zogenaamd 'kapstokartikel'. Het gaat daarbij om een bepaling van algemene strekking, die de geest van de regeling weergeeft (vergelijk artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens jo art. 25 van de Wegenverkeerswet). Dit 'zorgvuldigheidsprincipe' is in de verordening neergelegd, dit om zowel individuele deelnemers aan wadlooptochten als wadloopgidsen aan te kunnen spreken op veiligheidsaspekten. In de geldende praktijk is ook in de voorwaarden bij de vergunningverlening opgenomen dat deelnemers aan wadlooptochten op de risico's daarvan worden gewezen (bijvoorbeeld conditie, kleding, enz.).

Terug naar wadloopverordening art. 3


 
Toelichting bij art. 4

Dit artikel biedt samen met art. 5 de juridische basis voor het vergunningen-stelsel, waarmee het wadlopen kan worden gereguleerd.

Terug naar wadloopverordening art. 4


Toelichting bij art. 5
 
1. Artikel 5 aanhef en sub a t/m d

Het artikel regelt de uitzonderingen op het verbod zoals is neergelegd in artikel 4 en geeft aan, dat met een door gedeputeerde staten afgegeven vergunning wel wadlooptochten mogen worden gehouden, uiteraard met inachtneming van de door gedeputeerde staten aan de vergunning verbonden voorschriften.
Er zijn drie categorieën wadloop-vergunningen. A-vergunningen voor wadlooporganisaties met daarbij behorende machtigingen voor wadloopgidsen, B-vergunningen voor kleine groepen wadlopers en C-vergunningen voor individuele wadlopers.

Terug naar wadloopverordening art. 5a
 
2. Toelichting bij artikel 5 sub e

Bedoeld worden bijvoorbeeld ambtenaren die zich voor de hen opgedragen werkzaamheden op het wad bevinden, maar ook zij die zich op de Waddenzee bevinden voor activiteiten die voortvloeien uit een bedrijf of beroep waarvoor op grond van enige wettelijke bepaling een vergunning c.q. ontheffing nodig is, of voor activiteiten waarvoor nadrukkelijk toestemming bestaat, indien zij zich t.b.v. die activiteiten te voet op de platen en/of kwelders moeten begeven of bevinden. Ook kan men denken aan hen die op grond van hen toegestane werkzaamheden op grond van eigendomsverhoudingen (boeren in de landaanwinningswerken), zich op het wad bevinden.

Terug naar wadloopverordening art. 5e
 
3. Toelichting bij artikel 5 sub f

Deze bepaling is opgenomen om het betreden van en het zich bevinden op het wad vanaf drooggevallen boten te reguleren. De doelgroep van de bepaling van artikel 5 aanhef en sub e is in de praktijk vooral de chartervaart (incl. rondvaarttochten). Met deze bepaling willen wij de mogelijkheid open houden voor opvarenden van een drooggevallen boot om die boot af te gaan om 'even de tenen in het zand te steken'. De huidige praktijk bij bijvoorbeeld een deel van de charterschepen, die groepen tot zo'n 25 personen vervoeren, is dat op die manier aan een stukje natuur- en milieu-educatie wordt gedaan. De wadloopverordening mag dit niet onmogelijk maken, door iedere betreding van het wad vergunningplichtig te maken.
Aan deze uitzonderingsbepaling worden twee voorwaarden verbonden. Groepen van acht of meer personen mogen zich alleen in de directe omgeving van de boot ophouden, d.w.z. dat men binnen een straal van maximaal 500 meter van de boot blijft. Individuen of groepjes kleiner dan acht personen worden niet aan een bepaalde afstandsmaat gehouden. Wel worden zij geacht de plaat waarop de boot zich bevindt niet te verlaten en terug te keren aan boord van de boot.
Tochten waarbij geulen worden overgestoken en waarbij van plaat naar plaat wordt gegaan worden beschouwd als echte wadlooptochten en vallen niet onder deze uitzonderingsbepaling. Hiervoor is dus een vergunning vereist.

Terug naar wadloopverordening art. 5f
 
4. Toelichting bij artikel 5 sub g

Zoals ook bij de toelichting bij artikel 1 is gesteld, is het nadrukkelijk niet de bedoeling om de mogelijkheden van kustbewoners en eilanders in te perken om in de strook direct onder de kust een 'slag over het wad' te maken. De formulering van artikel 5 sub f heeft de bedoeling om een juridische basis te bieden voor hetgeen in de geest van de verordening is: het groepsgewijs lopen van tochten reguleren en overige kleinschalige activiteiten die men op het wad pleegt te ondernemen niet in de weg staan. Bij deze kleinschalige activiteiten kan gedacht worden aan een gebruiksvorm van het wad als het handmatig steken van pieren, het beoefenen van de zeehengelsport, het zwemmen bij de dijk. Deze activiteiten die vaak van oudsher al plaatsvinden, worden niet beperkt. Wel is het uiteraard nodig een scheidslijn aan te brengen tussen het betreden van het wad voor kleinschalige lokale activiteiten en voor het betreden teneinde een vergunningplichtige wadlooptocht te gaan doen. Daarom is in de verordening opgenomen dat bij het betreden van het wad voor kleinschalige recreatieve activiteiten het moet gaan om een groep van minder dan acht personen en voor een activiteit met een strikt lokaal karakter.

Terug naar wadloopverordening art. 5g


Bladeren door de verordening