[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Overheid

Broodkruimelpad

Home 5. Overheid 11. Redenen voor herziening van de verordening

Wadloopverordening 1996

11. Redenen voor herziening van de verordening


Terug naar inhoudsopgave

ACHTERGRONDEN EN BELEIDSUITGANGSPUNTEN VAN DE VERORDENING

Bij de toepassing van de verordening in de praktijk is een aantal beperkingen aan het licht getreden waarin door aanpassing en toespitsing van de regelgeving kan worden voorzien.

Het betreft dan de volgende aspecten:

  1. definiëring van de begrippen;
  2. het waarborgen van de veiligheid;
  3. verstoring van de natuur;
  4. uitvoering, controle en handhaving;
  5. een gebrekkige coördinatie van de vergunningverlening.

Daarbij zij opgemerkt dat de coördinatie van vergunningverlening niet in de verordening zelf geregeld wordt. Dit probleem zou ook los van de herziening van de verordening aangepakt kunnen worden. De herziening van de verordening vormt voor ons echter de aanleiding om nu ook expliciet aandacht te besteden aan een betere coördinatie.

ad a. Definiëring van de begrippen
In de Wadloopverordening 1983 wordt gesproken van een 'tocht'. Er wordt echter niet toegelicht wat precies onder een tocht wordt verstaan. Hierdoor is er een interpretatieverschil mogelijk over de reikwijdte van de verordening. Het is niet duidelijk in hoeverre ook zwerftochten, wadlooptochten vanaf een drooggevallen boot of excursies waarbij een slag over het wad wordt gemaakt onder de werking van de verordening vallen.

ad b. Het waarborgen van de veiligheid
Aan wadlooporganisaties wordt een zgn. A-vergunning verstrekt. In de voorwaarden bij deze vergunning is een maximum gesteld aan de toegestane groepsgrootte. Dit maximum (50 personen voor tochten naar Schiermonnikoog, Simonszand, Rottumeroog en voor zwerftochten, en 70 personen voor tochten naar Ameland en Engelsmanplaat) is gebaseerd op de redcapaciteit in noodsituaties. Elke A-organisatie mag gedurende een laagwaterperiode twee tochten per route organiseren.
In de praktijk worden deze twee tochten vaak tot één gecombineerd.
Tevens zijn er signalen dat bij overtekening van het aantal deelnemers voor een tocht B-vergunninghouders worden ingeschakeld om het 'surplus' aan deelnemers veilig over het wad te gidsen (een B-vergunninghouder mag individueel een groep van 15 deelnemers begeleiden).

Door deze constructies bevinden zich soms veel grotere groepen op het wad dan vanuit oogpunt van veiligheid acceptabel is. Bovendien ontstaat er onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid in geval van incidenten en calamiteiten.
In de huidige systematiek van de verordening kan een dergelijke clustering niet ondervangen worden.

ad c. Verstoring van de natuur
De hoofddoelstelling voor de Waddenzee, zoals vastgelegd in de PKB Waddenzee is: de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied.
Binnen randvoorwaarden zijn menselijke activiteiten met een economische en/of recreatieve betekenis mogelijk.
Wadlopen is een van de activiteiten die binnen de randvoorwaarden zijn toegestaan. In beginsel gelden voor wadlopers dezelfde regels als voor elke voetganger op het wad. Betreding van de wadplaten is toegestaan met dien verstande dat het verstoren van zeehonden en vogelconcentraties verboden is.
In vergelijking met mensen die alleen op het Wad lopen is een groep georganiseerde wadlopers extra verstorend. Bij het georganiseerd wadlopen kan verstoring van (groepen) vogels vaak niet geheel voorkomen worden. Ook is het mogelijk dat een route een rustgebied van zeehonden geheel of gedeeltelijk doorkruist.

In de systematiek van de Natuurbeschermingswet is zowel verstoring van natuurwaarden als betreding van gesloten gebieden ontheffingplichtig. In de praktijk wordt dit alleen toegepast wanneer een route een gebied doorkruist dat op basis van art. 17 van de Natuurbeschermingswet is afgesloten.
Sterk verstoringsgevoelig zijn echter ook de gebieden vlak langs de kust, naast fourageergebied is dit ook vaak vogelbroedgebied en hoogwatervluchtplaats. De hier georganiseerde zwerftochten en excursies houden een groot verstoringsrisico in. Slechts voor een deel van deze gebieden is art. 17 van de Natuurbeschermingswet van toepassing.
Toenemende massaliteit van het wadlopen vergroot het spanningsveld met de te beschermen natuurwaarden in het gebied.

ad d. Uitvoering, controle en handhaving
Als gevolg van de onder a. en b. genoemde omissies in de verordening laat de handhaving en controle te wensen over.
Uit rapportages van de rijkspolitie te water blijkt dat handhaving van de bestaande verordening en daaruit afgeleide voorschriften en voorwaarden op het punt van de grootte van de groepen deelnemers aan georganiseerde wadlooptochten of het aantal gelopen tochten per laagwaterperiode als gevolg van het combineren van A- en B-vergunningen in de praktijk zo goed als onmogelijk is.
Verder wreekt zich dat het begrip 'wadlooptocht' in de bestaande verordening niet is gedefiniëerd. Dat maakt het in voorkomende gevallen moeilijk om vast te stellen of en wanneer er sprake is van een wadlooptocht die onder de werkingssfeer van de verordening valt. Zo biedt de bestaande verordening een te wankele rechtsgrond voor controle op de groepsgrootte en eventuele verbalisering ter zake op het daartoe meest geëigende moment, nl. tijdens het verzamelen van de deelnemers op de dijk bij de aanvang van de tocht.
Bovendien is bij de uitvoering van de huidige verordening meerdere malen gebleken dat deze te weinig houvast biedt voor de beoordeling van vergunningaanvragen. Bij beroepsprocedures worden de adviezen van de Wadloopadviescommissie herhaaldelijk te niet gedaan bij gebrek aan objectieve criteria voor de beoordeling.

ad e. Coördinatie van de vergunningverlening
Tenslotte signaleerden wij aan het begin van deze paragraaf het probleem van gebrekkige coördinatie van de vergunningverlening. Het gaat daarbij om een probleem dat zich niet leent voor regulering per verordening, maar dat ter wille van een goede implementatie van de verordening wel aangepakt zal moeten worden.
Voor het houden van een wadlooptocht zijn meerdere vergunningen en ontheffingen vereist. De wadlooporganisaties dienen zich, afhankelijk van de bestemming te wenden tot: particuliere eigenaren voor het betreden van hun grond; het Waterschap Fryslân of het Waterschap Ommelanderzeedijk voor het betreden van de dijken; Rijkswaterstaat voor het betreden van landaanwinningswerken waarvan zij de beheerder is; Domeinen voor het betreden van gronden waarvan Domeinen eigenaar is; LNV voor het verkrijgen van een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet; en de provincie Friesland en/of Groningen voor een wadloopvergunning.
Coördinatie van de vergunningverlening vindt plaats tussen Domeinen en Rijkswaterstaat en incidenteel ook tussen Rijkswaterstaat en LNV.
Een betere coördinatie is zowel voor de aanvrager als ook voor de handhavers wenselijk.


Naar de andere onderwerpen van 'achtergronden en beleidsuitgangspunten' :

 9. Inleiding
10. Ontwikkelingen rond het wadlopen
11. Redenen voor herzien van de verordening
12. Verantwoordelijkheid en taak van de overheid
13. Visie op de gewenste ontwikkeling van het wadlopen
14. Hoofdlijnen van de nieuwe wadloopverordening
15. Handhaving, coördinatie en voorlichting
16. Wadloopadviescommissie


Bladeren door de verordening