[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Overheid

Broodkruimelpad

Home 5. Overheid 12. Verantwoordelijkheid en taak van de overheid

Wadloopverordening 1996

12. Verantwoordelijkheid en taak van de overheid


Terug naar inhoudsopgave

ACHTERGRONDEN EN BELEIDSUITGANGSPUNTEN VAN DE VERORDENING

Voorafgaand aan een herziening van de verordening op het wadlopen dient de vraag onder ogen gezien te worden of regulering van het wadlopen (nog altijd) als een verantwoordelijkheid en een taak van de overheid moet worden beschouwd. Bij de beantwoording van deze vraag spelen twee overwegingen een rol, nl. de zorg voor de veiligheid van de burgers en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van natuur en milieu.

Het waarborgen van, dan wel het scheppen van voorwaarden voor de veiligheid van de burgers met name in het publieke domein, is bij alle deregulering een onbetwiste kerntaak van de overheid. Uit de grote verscheidenheid van niet ter discussie staande regelgeving terzake blijkt dat de overheidszorg voor de veiligheid van de burgers niet alleen geldt waar maatschappelijke verplichtingen in het geding zijn, maar ook waar burgers recreatieve activiteiten ontplooien. Het wadlopen dient als tak van recreatie waarvoor wijdverbreide belangstelling bestaat niet van deze zorg te worden uitgezonderd. Ook de praktijk tot dusver laat zien dat de aan het wadlopen verbonden veiligheidsrisico's niet te verwaarlozen zijn. Herhaaldelijk is er sprake van incidenten en (bijna)-ongelukken. Dat wijst op de noodzaak van regulering van overheidswege en, waar mogelijk en nodig, verbetering van de bestaande regelgeving. Dat geldt te meer gezien de sterk toegenomen commercialisering van het wadlopen.

Naast het veiligheidsaspect is ook de zorg voor de bescherming van natuur en milieu een overweging in verband met de beantwoording van de vraag of regulering van het wadlopen een verantwoordelijkheid van de overheid is. De overheid heeft de afgelopen jaren een breed beleid ontwikkeld ter bescherming van de Waddenzee als uniek en rijk geschakeerd natuurmonument van formaat. Het ligt dan ook voor de hand dat een massaal gebeuren als het wadlopen de vraag naar de wenselijkheid of noodzaak van regulering vanuit het natuurbeschermingsmotief oproept. Bij de beantwoording van die vraag moet worden bedacht dat de Natuurbeschermingswet terzake al het nodige instrumentarium biedt.
De Natuurbeschermingswet geeft echter ook de ruimte om aanvullende regelingen te geven in provinciale of gemeentelijk verordeningen voor specifieke activiteiten, zeker wanneer die regeling primair andere motieven (bv. veiligheid) heeft.
Het realiseren van één instrument heeft zowel voor de uitvoering als voor de gebruikers duidelijke (procedurele) voordelen.

Samenvattend concluderen wij dat in de veiligheidsrisico's van het wadlopen en in de bescherming van natuurwaarden die door een niet gereguleerd wadlopen kunnen worden bedreigd en aangetast, voldoende en dringende redenen gelegen zijn voor regelgeving en daarop steunende maatregelen van overheidswege.

Dan rest de vraag of de regulering van het wadlopen ook een provinciale taak is. Ten tijde van de totstandkoming van de bestaande Wadloopverordening was de Waddenzee nog niet gemeentelijk ingedeeld. Thans is dat wel het geval en de Waddenzee staat als gevolg daarvan dus mede onder gemeentelijke jurisdictie. Gelet op de taken van de burgemeester in het kader van de openbare orde zou verdedigd kunnen worden dat regulering van het wadlopen uit oogpunt van veiligheid thans een gemeentelijke aangelegenheid is. Het aantal betrokken gemeenten is echter groot. De totstandkoming van de nodige gemeentelijke regelgeving en de uitvoering er van zou een omvangrijke afstemming- en coördinatie-inspanning vergen. Om redenen van effectiviteit en efficiëntie verdient het dan ook verre de voorkeur om de bestaande situatie waarin de regulering van het wadlopen een provinciale taak is te continueren.
Bovendien hebben de provincies binnen de bestuurlijke verhoudingen voor het Waddengebied een belangrijke taak zowel op het gebied van de recreatie als voor de bescherming van de natuurwaarden. Daarbij in acht nemend dat de provincies in de Stuurgroep Waddenprovincies een samenwerkingsverband hebben, gericht op een eenduidig beleid voor het gehele gebied, ligt het voor de hand de verordening behalve voor de provincies Friesland en Groningen ook voor de provincie Noord-Holland van toepassing te verklaren.
Op het gebied van de bescherming van natuurwaarden hebben de provincies bij de decentralisatie-operatie van de Aanwijzing Waddenzee II nadrukkelijk taken toebedeeld gekregen. Voorlopig is er sprake van een zwaarwegende adviestaak bij de vergunningverlening op basis van de Natuurbeschermingswet. Op termijn zal dit overgaan in vergunningverlening zelf.
Dit geeft de mogelijkheid binnen de provincies een goede coördinatie tussen deze twee instrumenten te bewerkstelligen.


Naar de andere onderwerpen van 'achtergronden en beleidsuitgangspunten' :

 9. Inleiding
10. Ontwikkelingen rond het wadlopen
11. Redenen voor herzien van de verordening
12. Verantwoordelijkheid en taak van de overheid
13. Visie op de gewenste ontwikkeling van het wadlopen
14. Hoofdlijnen van de nieuwe wadloopverordening
15. Handhaving, coördinatie en voorlichting
16. Wadloopadviescommissie


Bladeren door de verordening