[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Overheid

Broodkruimelpad

Home 5. Overheid 13. Visie op de gewenste ontwikkeling van het wadlopen

Wadloopverordening 1996

13. Visie op de gewenste ontwikkeling van het wadlopen


Terug naar inhoudsopgave

ACHTERGRONDEN EN BELEIDSUITGANGSPUNTEN VAN DE VERORDENING

Wij zien wadlopen als een recreatievorm die binnen de randvoorwaarden van een duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied gehandhaafd moet blijven.
Zoals de term al aangeeft is het een gebiedseigen activiteit, die alleen in het Waddengebied met zijn uitgestrekte droogvallende zandplaten beoefend kan worden.

Gezien de gestage groei van het wadlopen in de afgelopen jaren achten we het van belang via een goede regelgeving de ontwikkeling in de hand te houden. De regelgeving moet primair gericht zijn op de veiligheid van de deelnemers, maar staat ook in relatie tot de te beschermen natuurwaarden in het gebied. Daarbij willen wij de huidige verscheidenheid aan tochten, variërend van individueel tot groepsgewijs lopen en de keuze uit verschillende routes zoveel mogelijk handhaven. We willen echter streven naar een stabilisatie van de aantallen deelnemers. Dit in overeenstemming met het recreatiebeleid voor het Waddenzeegebied, zoals weergegeven in de Nota Waddenzee (de PKB) en het Interprovincieaal Beleidsplan Waddenzeegebied (IBW).

Wij willen met nadruk aangeven dat wij een grote waarde hechten aan de eigen inbreng van de sector. Al in 1972 hebben de toenmalige wadlooporganisaties aangegeven via het 'Traktaat van Oostmahorn' op een veilige en zorgvuldige manier met het wadlopen om te willen gaan.
De in het Traktaat geformuleerde uitgangspunten, te weten
1. de veiligheid van de wadlooptochten
2. het behoud van de aantrekkelijkheid van het wadlopen
3. de bescherming van het Wad in relatie tot te grote massaliteit,
blijven wat ons betreft onverkort de redenen om tot een goede regelgeving en goede afspraken te komen.

Definitie wadlooptocht
Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling willen we een gelijkschakeling van alle lopers op het wad hanteren. In relatie tot de veiligheid zijn wij echter van mening dat voor een strikt lokale activiteit als pierensteken of bv. een excursie die vlak onder de dijk blijft, andere veiligheidseisen kunnen gelden als voor de tochten waarbij geulen worden gepasseerd of een totale oversteek wordt gemaakt.

Veiligheid
Ten aanzien van de veiligheid merken wij op dat de verordening wel regels kan stellen inzake de veiligheid van het wadlopen, maar die veiligheid uiteindelijk niet kan garanderen. Naar onze mening is er ook sprake van een eigen verantwoordelijkheid van deelnemers en gidsen. Een ieder die zich op het Wad begeeft wordt geacht voldoende maatregelen te hebben genomen voor de veiligheid van zichzelf. Via de verordening kunnen dan bv. eisen gesteld worden aan de ervaring van de gidsen en aan de mee te nemen uitrusting.

Voor wat betreft het knelpunt van de te grote groepen op het wad willen we de huidige systematiek van de verordening aanscherpen.
A-vergunningen zijn bedoeld voor de wadlooporganisaties. Op basis van deze vergunning mogen zij gidsen aanwijzen die groepen wadlopers via vaste routes over het wad leiden. De gidsen worden schriftelijk gemachtigd. De verantwoordelijkheid voor deze wadlooptochten ligt bij de organisatie. Er wordt een maximum gesteld aan de groepsgrootte en aan het aantal te organiseren tochten per laagwaterperiode.
De B-vergunnningen zijn bedoeld voor individuele personen die bv. familie, vrienden, kennissen, in ieder geval een kleine groep, onder eigen verantwoordelijkheid over het wad leiden. Zij mogen zich niet met een groep aansluiten bij een tocht van een A-vergunninghouder of bij een tocht van een andere B-vergunninghouder.
De C-vergunningen zijn bedoeld voor individuele lopers. Zij mogen geen tochten leiden, wel is het toegestaan zich onder eigen verantwoordelijkheid aan te sluiten bij andere C-vergunninghouders of bij door anderen geleide tochten.

Ten aanzien van de ervaringseisen aan gidsen zou gedacht kunnen worden aan formele en gestandaardiseerde opleidingsvereisten, waaraan een opleidingsvoorziening annex certificering gekoppeld kunnen worden. Daarvan is op dit moment geen sprake. Opleiding en oefening als wadloopgids worden thans in de praktijk door reeds ervaren gidsen verzorgd. De wadlooporganisaties leiden zelf intern hun gidsen op, en zij geven bij de vergunningaanvragen zelf aan in welke mate zij over voldoende ervaren gidsen beschikken. Tot dusver zijn de ervaringen daarmee goed te noemen. Een onvoldoende mate van inzicht, geoefendheid en ervaring van wadloopgidsen is in de praktijk slechts een enkele keer als knelpunt gesignaleerd. Wij zijn vooralsnog niet voornemens extra regels te stellen aan de vereiste ervaring van wadloopgidsen als voorwaarde voor vergunningverlening. Wel zullen wij de interne opleidngen van de wadlooporganisaties een meer centrale rol geven in de voorwaarden en ook (middels de Wadloopadviescommissie) toezicht uitoefenen op de kwaliteit hier van.

In de Wadloopadviescommissie is ook vanuit de veiligheidsoptiek de mogelijkheid van het invoeren van een meldplicht aan de orde gesteld. Over de toegevoegde waarden hiervan wordt verschillend gedacht. Vanuit de wadlooppraktijk wordt i.h.a. meer waarde gehecht aan het gebruik van een marifoon dan aan het stellen van een meldplicht.
Uitgaande van het verplicht stellen van een draadloze verbinding hebben wij ons door diverse reddingsorganisaties laten adviseren over de meest geschikte communicatie-apparatuur. Hieruit komt naar voren dat een marifoon-verbinding de meeste veiligheid biedt en dus de voorkeur verdient, zeker voor de grotere groepen. Een draagbare telefoon zou voor kleine groepen als alternatief gebruikt kunnen worden.

Natuurbelang
Gezien de hoofdfunctie natuur van het Waddengebied achten wij het noodzakelijk dat het wadlopen plaats vindt binnen de randvoorwaarden van een duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied.
Theoretisch zou het mogelijk zijn om de bescherming van natuurwaarden alleen via de Natuurbeschermingswet te reguleren. Gezien de huidige praktijk en ook uit het oogpunt van efficiëntie en goede coördinatie achten wij het echter wenselijk gebruik te maken van de mogelijkheid die de Natuurbeschermingswet biedt om het natuurbelang als mede-toetsingscriterium in de provinciale verordening op te nemen.

Quotering
Zowel in het belang van de veiligheid van het wadlopen als met het oog op de bescherming van natuurwaarden achten wij een quotering van het aantal deelnemers aan wadlooptochten per bestemming en per seizoen van belang.
De WAR heeft hiertoe concrete voorstellen aangedragen onder verwijzing naar eerdere quoteringsafspraken tussen de wadlooporganisaties, het zgn. 'Traktaat van Oostmahorn' van 1972.

Dit WAR-voorstel heeft als uitgangsunt gediend voor besprekingen met de wadlooporganisaties en een overleggroep van B-vergunninghouders. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een convenant dat ten tijde van de vaststelling van de verordening zal worden ondertekend door de betrokkenen.


Naar de andere onderwerpen van 'achtergronden en beleidsuitgangspunten' :

 9. Inleiding
10. Ontwikkelingen rond het wadlopen
11. Redenen voor herzien van de verordening
12 Verantwoordelijkheid en taak van de overheid
13. Visie op de gewenste ontwikkeling van het wadlopen
14. Hoofdlijnen van de nieuwe wadloopverordening
15. Handhaving, coördinatie en voorlichting
16. Wadloopadviescommissie


Bladeren door de verordening