[email protected] 2.1

U bent in menu 5. Overheid

Broodkruimelpad

Home 5. Overheid 14. Hoofdlijnen van de nieuwe Wadloopverordening

Wadloopverordening 1996

14. Hoofdlijnen van de nieuwe Wadloopverordening


Terug naar inhoudsopgave

ACHTERGRONDEN EN BELEIDSUITGANGSPUNTEN VAN DE VERORDENING

Ter verbetering van de regulering van het wadlopen is in de nieuwe Wadloopverordening een aantal wijzigingen en aanvullingen doorgevoerd. De belangrijkste wijzigingen worden hieronder toegelicht.

a. Definitie wadlooptocht
In art. 1 van de verordening wordt het begrip wadlooptocht als volgt gedefiniëerd:
'het zich al dan niet in groepsverband, te voet op de platen of kwelders begeven of bevinden, of het zich verzamelen op het vasteland of de eilanden, voorafgaand aan het zich begeven op de platen of kwelders'.

Met deze definitie wordt beoogd ook de georganiseerde zwerftochten over de kwelders, de wandeltochten vanaf voor anker liggende of drooggevallen boten en de wadexcursies bv. vanaf de eilanden onder het begrip 'wadlooptocht' te rekenen.
Wandelingen en excursies in een zomerpolder of op die gedeelten van de kwelder die bij gemiddeld hoogwater droog blijven zijn niet vergunningplichtig op basis van de Wadloopverordening. Wel kan het zo zijn dat voor deze activiteiten een ontheffing nodig is op basis van de Natuurbeschermingswet.

In beginsel (art. 4) is er voor elke wadlooptocht een vergunning nodig. Het is echter niet de bedoeling om ook kleinschalige recreatieve activiteiten zoals het handmatig pierensteken of het van de boot afstappen wanneer men is drooggevallen onder de verordening te laten vallen. Ook het historische gebruik door de lokale bevolking voor het maken van een 'slag over het wad' moet mogelijk blijven.
Er is daarom een aantal uitzonderingen gemaakt (art. 5). Het verbod in art. 4 geldt niet voor hen die zich uit hoofde van hen toegestane werkzaamheden noodzakelijkerwijs op het wad bevinden. Voor opvarenden van een drooggevallen boot geldt dat een kleine groep zich mag begeven op de plaat waarop de boot zich bevindt mits zij terugkeren aan boord. Een grotere groep (8 personen of meer) dient zich te beperken tot een zone van 500 meter rond de boot.
Het verbod geldt evenmin voor hen die alleen of in een klein groepje een wandeling op het wad maken vanaf de kust of vanaf een eiland voor een recreatieve activiteit met een strikt lokaal karakter.
Op enkele plaatsen, bv. vlak onder de dijk bij Ameland, of vanaf de kampeerboerderij bij Den Oever worden zeer regelmatig wadexcursies gehouden met een natuurwetenschappelijke doelstelling. Het betreft meestal groepen van ca. 25 personen die zich een afstand van 500 tot max. 1000 meter vanaf de dijk begeven, veelal tot de eerste geul. Vanuit veiligheidsoverwegingen hoeven aan de gidsen van deze excursies minder strenge eisen te worden gesteld dan aan de gidsen die een overtocht moeten leiden. Met het oog hierop is voor dergelijke excursies een afzonderlijke ontheffingsmogelijkheid in de verordening opgenomen (art. 6). In deze ontheffingen zullen wel extra voorwaarden t.a.v. de veiligheid en het natuurbehoud worden opgenomen.

Door de nieuwe definiëring wordt meer recht gedaan aan de gelijke behandeling van diverse lopers over het wad. Ook wordt er meer recht gedaan aan het medetoetsingscriterium van natuurbescherming. Hiermee is bovendien de handhaafbaarheid van de verordening t.o.v. de oude verordening sterk vereenvoudigd.

b. Onderscheid A, B en C-vergunningen
Het bestaande onderscheid in vergunningen wordt gehandhaafd.
De A-vergunningen worden verstrekt aan rechtspersonen, dit zijn de wadlooporganisaties. Op basis van deze vergunning mogen zij gidsen aanwijzen die groepen wadlopers via vaste routes over het wad leiden. De gidsen worden schriftelijk gemachtigd. De verantwoordelijkheid voor deze wadlooptochten ligt bij de organisatie. Er wordt een maximum gesteld aan de groepsgrootte (50 voor Schiermonnikoog en voor zwerftochten), 70 voor Ameland, Engelsmanplaat, Simonszand en Rottumeroog) en aan het aantal te organiseren tochten per laagwaterperiode (max. 2 per route, alleen voor zwerftochten is een derde tocht toegestaan). Het combineren van de tochten is niet toegestaan (art. 11).
De B-vergunningen worden verstrekt aan individuele personen. Onder eigen verantwoordelijkheid mogen zij een kleine groep deelnemers (max. 12) over het wad leiden. Zij mogen zich niet met een groep aansluiten bij een tocht van een A-vergunninghouder of bij een tocht van een andere B-vergunninghouder (art. 11).
De C-vergunningen worden ook verstrekt aan individuele personen. Zij mogen echter geen tochten leiden. Wel is het toegestaan zich onder eigen verantwoordelijkheid aan te sluiten bij andere C-vergunninghouders of bij door anderen geleide tochten.
De Wadloopadviescommissie adviseert Gedeputeerde Staten over de vergunningverlening.

In het Convenant aangaande de quotering zijn afspraken gemaakt over de onderlinge verdeling van routes tussen de drie grote A-organisaties, over de totale aantallen zwerftochten en over de voorwaarden waaaronder de Overleggroep B-vergunninghouders (nu Wadgidsen Groep Noord Nederland, LK) ook een A-vergunning kan krijgen om groepen groter dan 12 deelnemers te begeleiden.

c. Veiligheid
In art. 3 van de verordening is nadrukkelijk gesteld dat naast de verantwoordelijkheid van de overheid voor de veiligheid van de burgers ook elke burger een primaire persoonlijke verantwoordelijkheid draagt voor zijn of haar eigen veiligheid. Dat geldt ook voor burgers als deelnemers (incl. gidsen) aan een wadlooptocht.
Daarnaast zullen wij t.b.v. de veiligheid een aantal criteria hanteren bij de vergunningverlening. Hierbij baseren wij ons op het advies van de Wadloopadviescommissie en op de met de sector gemaakte afspraken. In bijlage 3 bij deze verordening is weergegeven welke criteria wij denken te hanteren.
Belangrijkste wijziging is dat een B-vergunning alleen nog verstrekt zal worden aan iemand die een interne opleiding bij een van de A-organisaties met goed gevolg heeft afgerond. De A-organisaties zullen hun opleiding ook voor derden openstellen. De kwaliteit van de interne opleidingen zal door de Wadloopadviescommissie worden getoetst.

In de te verlenen vergunning zullen verder een aantal voorwaarden worden gesteld. Dat betreft in ieder geval de mee te nemen uitrusting en de weersomstandigheden waarbij geen tochten gehouden mogen worden. Als bijlage 4 is een overzicht van de te hanteren voorwaarden opgenomen.

d. Bescherming van de natuur
In het voorgaande zijn wij reeds ingegaan op de redenen om het natuurbelang als mede-toetsingscriterium in de verordening op te nemen. Zowel voor de uitvoerder als voor de gebruiker verdient een regelgeving de voorkeur.
De mogelijkheid om voorschriften met het oog op de bescherming van natuurwaarden aan de Wadloopverordening te verbinden is nieuw. Op dit punt zal nader beleid moeten worden ontwikkeld. Gezien art. 9 lid 3 en art. 12 lid 2 zullen wij vergunningvoorschriften opnemen ter bescherming van de natuurwaarden.
De voorschriften zullen vooral betrekking hebben op mogelijke verstoring van broedplaatsen en hoogwatervluchtplaatsen van vogels en op verstoring van rustplaatsen van zeehonden.
Naar de verstoring van natuurwaarden door recreatieve activiteiten waaronder het wadlopen wordt op het moment onderzoek verricht (later gepubliceerd in het Recreatie Onderzoek Kustwateren (ROK), LK). De resultaten van dit onderzoek zullen wij bij ons beleid betrekken.

De Waddenadviesraad (WAR) geeft de aanbeveling naast de verstoring van natuurlijke waarden als zodanig ook de verstoring van de beleving van de natuurlijke waarden van de Waddenzee in de verordening op te nemen. Anders dan veel andere elementen van het WAR-advies hebben wij dit onderdeel van het advies niet overgenomen. Het gaat bij de belevingswaarde om een nogal subjectief en ongrijpbaar criterium. Een groep wadlopers is immers geen statisch element in het Waddengebied. Het natuurbelevingsaspect is naar onze mening met name bedoeld om te grote massaliteit van het wadlopen te voorkomen. Met de quoteringsafspraken die zijn gemaakt met de wadlooporganisaties denken wij hierin te hebben voorzien.


Naar de andere onderwerpen van 'achtergronden en beleidsuitgangspunten' :

 9. Inleiding
10. Ontwikkelingen rond het wadlopen
11. Redenen voor herzien van de verordening
12. Verantwoordelijkheid en taak van de overheid
13. Visie op de gewenste ontwikkeling van het wadlopen
14. Hoofdlijnen van de nieuwe wadloopverordening
15. Handhaving, coördinatie en voorlichting
16. Wadloopadviescommissie


Bladeren door de verordening